4 januari 2008

Noordzee in nood

In 2005 zeilden we voor het eerst naar de Shetlandeilanden en lieten ons er overdonderen door de vogelrijkdom. Door de honderden broedende papagaaiduikers, alken en zeekoeten op de hoge kliffen van Fair Isle, Mainland en Unst. Maar ook door de kleine jagers die met hun duikvlucht aanvallen ons uit de buurt van hun nesten hielden tijdens onze wandelingen. En door de zenuwachtige grote jagers in Hermaness op het noordelijke Unst. Maar schijn bedriegt.

Want het gaat helemaal niet goed met de zeevogels in de noordelijke Noordzee. En ook niet met de dolfijnen en walvissen. De professionals van het Bird Observatory op Fair Isle constateren al enkele jaren op een rij dat de broedresultaten van al die zeevogels dramatisch zijn. Het lukt de vele broedende vogels niet hun jongen groot te brengen.
Als oorzaak wijzen de biologen op voedselgebrek. De vogels kunnen hun jongen eenvoudigweg niet voeden en daardoor mislukken de legsels. Populaties van sommige soorten, zoals die van de kleine jager, bereiken "kritische niveau’s". Biologentaal voor de conclusie dat de aantallen van sommige soorten inmiddels zo klein zijn, dat uitsterven van de soort bijna onontkoombaar is.
In Lerwick raakten we op de steiger met andere zeilers aan de praat over het gemis aan dolfijnen en walvissen, terwijl die anders zo uitbundig present zijn in de noordelijke Noordzee. Het was de andere zeilers ook opgevallen. "Die Russische vissers" waren volgens onze buurman de schuldigen. "Die vissen de hele zee leeg en onze jongens" - hij doelde op de Britse vissers - "moeten aan de wal blijven omdat ze hun quota hebben volgevist". Voedselgebrek dus? Net als bij de vogels? Een kleine speurtocht leerde dat de buurman deels gelijk had. Een groep Nederlandse biologen, had zich er over verbaasd dat dolfijnen zich steeds vaker langs de Nederlandse kust laten zien. Zij concludeerden dat dit niet komt omdat het langs onze kust zo goed gaat, maar omdat het in het noorden zo slecht gaat. Volgens hen verlaten de dolfijnen de noordelijke Noordzee vanwege gebrek aan voedsel.
De sleutel in het hele verhaal blijkt de zandspiering, een klein zilverkleurig visje. Dat visje is, zoals biologen dat met weinig culinair gevoel zeggen, het "stapelvoedsel" voor zowel de rond Shetland broedende zeevogels als voor de walvisachtigen. Zandspiering – en daarin had onze buurman dus gelijk - wordt massaal bevist voor de vismeel industrie. Overigens niet alleen door Russische trawlers, maar ook door Britse vissers, en niet te vergeten de Deense. En dat zet zo’n soort natuurlijk stevig onder druk.
Klimaatverandering doet daar nog een schepje bovenop. Die beïnvloedt weliswaar niet direct de zandspiering, maar wel de voedselketen waarin zandspiering een cruciale rol speelt. Het is ook in zee een kwestie van eten en gegeten worden. Het begint bij het plantaardig plankton. Dat wordt gegeten door dierlijk plankton, ofwel zoöplankton. En zoöplankton is weer het voedsel voor de zandspiering, die op zijn beurt dus op het menu staat van zeevogels en walvisachtigen.
Door de opwarming van het zeewater komt het zoöplankton eerder tot ontwikkeling dan vroeger. En daar gaat het mis, want het plantaardig plankton komt niet eerder tot ontwikkeling. Er ontstaat een mismatch: als er massaal zoöplankton tot ontwikkeling komt, is er nog onvoldoende voedsel beschikbaar. Daardoor kan zich minder zoöplankton ontwikkelen waardoor er vervolgens dus ook minder voedsel is voor de zandspiering, en uiteindelijk ook voor de vogels en walvissen en dolfijnen. Een hele keten stort in. De visserij op zandspiering is intussen stevig aan banden gelegd. Maar of dat nog op tijd is moet nog blijken.

We publiceerden een langere versie van dit verhaal in de Waterkampioen van mei 2007.