Zomer 2026: Naar Ierland

Het plan voor de zomer van 2026 is naar de Ierse westkust te zeilen. Kaarten zijn aan boord evenals de - bijzonder informatieve - pilot South & West Coasts of Ireland van de Irish Cruising Club. Die laatste beveelt aan om de westkust van zuid naar noord te bezeilen. Dit vanwege de overheersende zuidwestelijke winden. We nemen het advies ter harte, en mikken er op via de Engelse zuidkust naar Ierland te zeilen. 

De wind waait bij ons vertrek inderdaad uit het zuidwesten en niet zo'n beetje ook. Het is bovendien echt rotweer: niet alleen harde wind, maar ook stevige buien en het is koud. We stellen het vertrek richting Dover dan ook nog maar even uit en aangezien het er naar uit ziet dat we nog wel eventjes aan de Nederlandse kust zullen moeten blijven plakken in afwachting van wat prettiger weer, besluiten we lekker een paar dagen naar Texel te gaan. Voorzien van warme mutsen en dikke handschoenen zetten we koers naar het noord- in plaats van het zuidwesten.

In herfsttenue naar Texel 
 

Als de wind na een paar dagen naar het zuidoosten gaat, en er zelfs een belofte is van oostenwind, gooien we los en zetten we koers richting het Engelse Kanaal. Na een tij-stop in Dover zeilen we in één ruk door tot bij de aanloop van de Solent de wind inzakt. We glijden op het tij door tot Lymington. Een dag later blaast Jan de Wind weer en zeilen we door naar Dartmouth waar we in het holst van de nacht binnenlopen. Hoewel we Dartmouth kennen van eerdere bezoeken, valt het ons nog niet mee om in het donker in de wirwar van aan moorings afgemeerde bootjes, de visitor pontoons te vinden. Na Dartmouth zeilen we naar Plymouth waar we afgesproken hebben voor een reparatie aan ons stuursysteem. Eén van de schijven waarover de kabels lopen die het stuurwiel met het roer verbinden, staat helemaal scheef. We zijn bang dat de boel op een zeker moment vastloopt. Helaas slaat, als die reparatie met succes is afgerond, het weer volledig om. We liggen uiteindelijk een week in Plymouth. 

Aan een mooring bij Falmouth

Een krap gaatje biedt net genoeg tijd om naar Falmouth te zeilen. Ook daar liggen we weer enkele dagen verwaaid. De straffe westelijke winden maken van de kapen die we op weg naar Ierland moeten passeren, de Lizzard en Land's end, vervelende hindernissen. Er kan daar een enorme zee staan. In afwachting van wat beter weer, scharrelen we een eindje de River Fal op, zeilen in een stevige bries naar de Helford River en maken mooie wandelingen langs het kustpad. Maar dan knapt het weer voldoende op om de kapen te passeren en de Keltische Zee over te steken naar Cork. We hebben bij vertrek uit de Helford River ruim 180nm voor de boeg.

De Keltische Zee is een ware klotsbak
 

De Keltische Zee heeft een reputatie. Er kan een stevige zeegang staan. En die reputatie maakt de Keltische Zee ruimschoots waar, ondanks het feit dat er helemaal niet zo veel wind staat. Na ruim een etmaal lopen we Cork Harbour aan. Cork Harbour is een enorme natuurlijke haven, waar behalve de stad Cork nog verschillende andere steden en dorpen liggen. Crosshaven is er één van en herbergt diverse jachthavens, waaronder die van de Royal Cork Yacht Club, naar eigen zeggen de oudste jachtclub ter wereld. We verwachten er een chique bedoening, maar dat valt reuze mee. 

De fameuze voedselmarkt in Cork

Na een paar dagen in Crosshaven, van waaruit we de bus naar Cork pakken, zetten we koers naar het westen. We kruisen in dichte miezer, nauwelijks zicht, naar Kinsale waar we afmeren in de bomvolle jachthaven van de Kinsale Yacht Club. Maar dan knapt het weer op, het wordt ineens zomer. We zeilen in comfortabele dagtochten westwaarts en ankeren in  Castle Haven, Baltimore, passeren de roemruchte Fastned Rock en pikken een mooring op in Crookhaven waar we ons de meest zuidelijke pint van Ierland goed laten smaken. 

The most southerly pint in Ireland in Crookhaven
 

Na Crookhaven gaan we de hoek om, rond Mizzen Head, en zeilen langs de westkust van Ierland noordwaarts. We meren af in Lawerence Cove, een klein maar plezierig jachthaventje op Bere Island. Jachthavens zijn overigens dun gezaaid. Lawrence Cove is de enige jachthaven tussen Kinsale en Dingle. 

Lawrence Cove: een jachthaven with a view
 

Er zit weer een weersverslechtering aan te komen en we besluiten van Lawrence Cove in één ruk naar Dingle te zeilen. Hoewel er weinig wind staat, staat er wel een enorme deining. Zeker rond de kapen is het bar en boos. De deining komt uit het noordwesten en wij hadden natuurlijk gezorgd stroom mee te hebben rond de kapen. We krijgen bakken water over. De ingang van de baai naar Dingle is ook uitermate ruig, zeil strijken is er een ware uitdaging.  

Bull Rock in de miezer
 

Dingle is een leuk, levendig maar ook erg toeristisch stadje met een jachthaven met alles er op en er aan. Wij gebruiken het voor praktische zaken, zoals een was draaien, douchen, water tanken en her-bevoorraden, en voor enkele uitstapjes aan wal. We kiezen een wat betere dag uit om e-bikes te huren en een mooie route rond de punt van het Dingle schiereiland te fietsen: in goed Iers, we bevinden ons hier immers in de Gaeltach, het Gaelic sprekende deel van Ierland, de Sli Cheann Sleibhe. Er zijn langs die route zo veel archeologische bezienswaardigheden dat we onderweg moeten besluiten wat selectiever te worden omdat we anders nooit rond komen. Een andere dag pakken we de bus naar het Blasket Centre. 

 


Het bezoek aan het Blasket Center is een soort troostprijs. Want eigenlijk hadden we graag An Blascaod Mór, ofwel Great Blasket Island, bezocht. Je kunt er met goed weer voor een strandje ankeren. Maar het weer was er tijdens ons verblijf in Dingle echt te slecht voor. Zelfs de commerciële charterboten vanuit Dingle voeren niet naar het eiland. Het Blasket Center biedt een mooie expositie over het leven op Great Blasket Island. Het was tot 1953 bewoond, in hoogtijdagen met een kleine 180 zielen. Opmerkelijk veel bewoners beschreven het leven op dit eiland. Hun verhalen zijn het fundament onder de expositie. 

Ze schetsen een beeld van een geïsoleerde, vrijwel volledig op zich zelf aangewezen, hechte gemeenschap. Die was in hoge mate zelfvoorzienend. De bewoners hielden zich in leven met visvangst, jacht, het rapen van eieren en wat landbouw. Het moet een hard bestaan zijn geweest. Geen wonder dan ook dat in de eerste helft van de twintigste eeuw het eiland langzaam maar zeker ontvolkt raakte, vooral door emigratie naar de VS. Uiteindelijk was de populatie zo sterk gekrompen, dat die niet meer levensvatbaar was. De laatste bewoners werden in 1953 geëvacueerd. 

Great Blasket Island vanaf de wal
 

We hadden eerder al besloten dat Dingle ons meest noordelijke punt aan de Ierse westkust zou worden. Het zou namelijk wat krap worden om verder noordwaarts te gaan, en bovendien willen we graag het als bijzonder mooi aanbevolen stuk tussen Dingle en Mizzen Head beter bekijken. We besluiten rustig zuidwaarts af te zakken. Een eerste stop maken we op Valentia Island. Het is maar een klein stukje, maar wel wederom ruig: weinig wind en toch een indrukwekkende zee in de Dingle Bay. Bij het plaatsje Knightstown op Valentia Island ligt een grote drijvende golfbreker die ooit bedoeld was voor een jachthaven. Maar die jachthaven is er nooit gekomen. De golfbreker biedt niettemin een prima ligplaats in een prachtig decor. Bijzonder is het pontje dat Valentia Island verbindt met het vaste land van Ierland. Het draagt de naam "God met ons III". Het pontje verbond ooit de beide Maas oevers bij Cuijk met elkaar. Na de bouw van een brug werd het pontje overbodig en naar Ierland verkocht.

Een stukje Nederland in Ierland: God met ons III

Na Valentia Island zeilen we in dikke miezer de Kenmare River in. We ankeren er, terwijl de zomer losbarst, in prachtige eenzame baaitjes: Sneem en Kilmakilloge Harbour. Het één nog mooier dan het ander. Maar we maken ook een stop in Castletownbere, waar we met Wouter en Roos van de Langa hebben afgesproken. We beleven er een uitermate gezellige avond met lekker eten en uitgebreid bijkletsen. Castletownbere ligt in de Bantry Bay. Ook hier vinden we weer prachtige ankerbaaitjes in adembenemend mooie decors. We ankeren in Glengariff en pikken een mooring op bij Adrigole. En het blijft ook nog eens prachtig zomerweer. Gelukkig is het water rondom Vlieger van precies de goede temperatuur om na een mooie, maar ook wat zweterige wandeling, even lekker af te koelen.

Adrigole

Uiteindelijk passeren we Mizzen Head opnieuw, wederom in een indrukwekkende zee. Via Schull, Baltimore en Glandore zeilen we opnieuw naar Kinsale. Daar maken we Vlieger klaar voor de reis terug naar Cornwall. Het wordt een mooie oversteek: weliswaar een stevige zee, maar nu met genoeg wind om hem zeilend te trotseren. 

Pittig zeilen in de Keltische Zee

We belanden weer in, een ditmaal aanzienlijk drukker, Falmouth. Na Falmouth maken we nog een stop in een wel heel erg druk Fowey. Daar besluiten we in één ruk terug naar Dover te zeilen, waar we vervolgens een paar dagen wachten op goede wind voor de oversteek naar IJmuiden. 


 

Praktisch:

We waren blij met de vaaraanwijzingen in: South & West Coasts of Ireland van de Irish Cruising Club. Naast de Navionics kaart in de plotter hadden we voor het overzicht en als backup de kaarten van Imray aan boord.

Voorzieningen zijn uiterst beperkt buiten de spaarzame jachthavens. We zorgden er daarom voor om waar dat kan de watertank op te toppen en hielden de dieselvoorraad goed in de gaten. Alleen in de wat grotere plaatsjes zijn supermarkten met een wat uitgebreider assortiment. Daar sloegen we goed in. Het aanbod van de dorpswinkeltjes in de kleinere plaatsjes was namelijk uiterst beperkt.

Wij hadden geluk met erg mooi zomerweer. Maar elke Ier die we spraken benadrukte hoe uitzonderlijk dat wel niet was.