'Ga toch lekker zuid' zeiden steigergenoten. Er waaide een straffe noordwester en het was nog bitter koud aan het begin van onze zomerreis. De vooruitzichten zagen er dan ook niet echt aanlokkelijk uit. Een gestage stoet depressies trok over de Noordzee en het zag er naar uit dat de wind voorlopig nog wel even hardnekkig en hard uit de noordwesthoek zou blijven blazen. Géén ideale omstandigheden om aan een oversteek richting Schotland te beginnen.
'Zo'n rondje UK kun je natuurlijk ook rechtsom varen, dus eerst zuidwaarts', zo hielden onze steigergenoten ons voor. Ze hadden natuurlijk gelijk. Er was geen enkele reden om stug vast te houden aan het plan eerst naar Schotland te zeilen. En wie weet, zou het weer wat later in de zomer inderdaad nog lekker opknappen.
Maar toen we een dag later losgooiden zat de wind meer westelijk dan noordwestelijk. We zetten toch maar koers richting Den Oever met het plan om een paar dagen op Texel te blijven in de hoop op beter weer. Dat kwam er natuurlijk niet, ijdele hoop, en de vooruitzichten bleven bovendien zo slecht dat we na een paar dagen struinen op Texel alsnog steven naar het zuiden wendden. Met stops in IJmuiden en Scheveningen, waar we nog schuilden voor een volle noordwesterstorm, belandden we uiteindelijk in Dover. Daar kwamen we opnieuw verwaaid te liggen.Toen de storm was uitgeraasd, gooiden we weer los met bestemming Falmouth. Het begon beroerd. Het waaide niet eens heel erg hard, maar er stond toch nog een korte koppige zee. Niet echt condities waarin Vlieger lekker wil lopen. Moeizaam kruisend boksten we westwaarts, tot ter hoogte van Dungeness de wind helemaal inzakte. We motorden rustig verder westwaarts tot er weer een windje opstak uit het noordwesten, wat geleidelijk via noord naar noordoost ruimde, en behoorlijk toenam. Pittig zeilen, met uiteindelijk 2 reven in het grootzeil en deels ingerolde kluiver. Maar het schoot vanaf dat moment wel lekker op. Twee etmalen na ons vertrek uit Dover liepen we 's morgens vroeg Falmouth binnen waar we een meerboei oppikten.
Falmouth fungeert voor ons meestal als springplank. Dat begon al in 2004, onze eerste langere reis met de Vlieger, toen Falmouth onze vertrekhaven was voor de oversteek naar de Azoren. Later was Falmouth de springplank voor bezoekjes aan de Scilly-eilanden. En dat is het nu weer, met als beoogde vervolgstap de oversteek naar Ierland. Maar door Falmouth als springplank te betitelen, doen we dit leuke stadje echt tekort. Want het is een mooie bestemming: een leuk stadje met goede pubs en prachtig gelegen in het estuarium van de rivier Fall. Er zijn vervelender plekken om een paar dagen verwaaid te komen liggen.Vakantiegevoel op de Scilly-eilanden
Het alles of niets regiem van Jan de Wind houdt hardnekkig stand: als we na enkele dagen Falmouth richting Scilly-eilanden kunnen vertrekken is de wind alweer helemaal op. We motoren een lange dag westwaarts. Omdat het al laat is als we de Scillies naderen, en we verwachtten dat het in St. Mary's Harbour (bij Hugh Town, het administratieve centrum van de Scilly-eilanden) wel helemaal vol zal liggen, besluiten we voor de nacht te ankeren in The Cove, het idyllische ankerbaaitje tussen Gugh en St. Agnes. Het blijkt daar echter ook druk, waardoor we niet echt lekker diep in de baai kunnen ankeren, en er loopt bovendien een vervelende deining de baai in.
We besluiten de volgende ochtend dan ook op te krassen en alsnog naar St. Mary's Harbour te verkassen. Niet omdat St. Mary's Harbour een super beschutte haven is, want net zoals overal op de Scilly eilanden, is St. Mary's Harbour ook maar gewoon een natuurlijke baai. Alleen de eilanden aan de overzijde van St. Mary's Road, zorgen er voor dat de oceaandeining niet rechtstreeks de baai in komt rollen. Maar de uit het zuidwesten aanrollende deining zou St. Mary's Harbour niet moeten kunnen bereiken.
Het ankerop gaan blijkt echter nog niet zo gemakkelijk; ons anker zit muurvast. Het lukt met geen mogelijkheid het los te krijgen. Gelukkig ontwaren we verderop in het baaitje een motorboot met een groep duikers. Het blijkt een groep die met een instructeur een duikuitstapje maakt. Ze zijn bereid ons te helpen. Even laten plonst de leider van de groep in het water. Gespannen volgen we het bellenspoor dat een heel andere kant op gaat dan waar we dachten dat ons anker zou liggen. Een tijd lang blijven bellen op één plek omhoog borrelen. Dan komt de duiker weer boven. Hijgend legt ie ons uit dat de ankerketting zich klem heeft getrokken in een rotsspleet. Het lukt hem niet om de ketting er uit te krijgen. En ze moeten verder, want hij zou immers met zijn betalende gasten gaan duiken.
Gelukkig weten we nu wel waar de ketting vast zit. Kennelijk zijn we 's nachts op de stroom aan het schuiven geweest en heeft de ketting zich in een spleet getrokken op een andere plek dan waar het anker ligt. We gaan proberen voorzichtig opstomend naar waar de ketting vast zit en gebruik makend van de deining, de ketting los te krijgen. Ondertussen blijft de boot met duikers toch maar om ons heen cirkelen. Ze willen kennelijk ook weten of het gaat lukken. En dat is het geval! Onder luid gejuich van de duikers haalt Joep triomfantelijk het anker boven.
We zetten koers naar St. Mary's Harbour waar we een vrije mooring oppikken. We blijven er maar kort, want hebben zin de rest van de archipel te verkennen. We hebben goede herinneringen aan de New Grimsby Road, de baai tussen de eilanden Bryher en Tresco. Via de St. Mary's Road, zeilen we, wederom met erg weinig wind, met een wijde boog om de met rotsen bezaaide westkust van Bryher heen, en duiken de smalle ingang naar de New Grimsby Road in.De vorige keer dat we hier waren - alweer ruim 10 jaar geleden - was er volop ruimte om, mooi beschut, diep in de baai te ankeren. Dat willen we nu weer doen. Maar het blijkt er inmiddels helemaal vol met meerboeien te liggen. De enige ruimte om te ankeren is in de veel minder beschutte ingang van de baai. De paar boten die daar geankerd liggen liggen behoorlijk heen en weer te rollen op de deining. We besluiten toch maar een meerboei op te pikken.
Hoewel de beide eilanden vlak bij elkaar liggen, verschillen ze hemelsbreed. Tresco is beslist mondain. Hier vieren duidelijk de meer welgestelde Britten hun vakantie. Bryher heeft daarentegen iets alternatiefs. We maken mooie lange wandelingen op beide eilanden. Maar komen langzaam maar zeker ook voor een principiële keuze te staan voor het vervolg van onze reis.To go or not to go
Het plan was om vanuit de Scilly-eilanden de Ierse zee over te steken en via de Ierse oostkust noordwaarts te zeilen naar de Hebriden. Maar de westkust van Schotland blijft het doelwit van een haast eindeloze stroom diepe depressies. En ook het alles of niets regime van de wind houdt kranig stand. Het is nu prachtig weer, maar er staat geen spat wind. We staan voor de keuze ofwel een etmaal motorend de Ierse zee over te steken, of een dag later tegen een harde noordwester inbeukend. Beide opties spreken niet echt aan. We vinden dat we intussen wel genoeg gemotord hebben, en een vol etmaal hoog aan de wind tegen NW7 beulen is ook geen aanlokkelijk vooruitzicht.
Nog langer wachten op een weergaatje wordt echter ook lastig. Er wordt op de wat langere termijn erg slecht weer verwacht. Het is niet verstandig dan op de Scilly-eilanden te blijven waar geen echt goed beschutte ankerplekken zijn. We wikken en wegen en besluiten uiteindelijk dat Ierland deze zomer niet zeilend bereikbaar is.
Als de wind is uitgeraasd maken we nog een stop in St. Mary's Harbour, van waaruit we nog enkele mooie wandelingen op St. Mary's maken. Maar we moeten nu toch echt gaan maken dat we wegkomen voordat het echt slecht wordt. Intussen hebben we genoten van ons verblijf op de Scillies. Deze eilandengroep is echt een prachtplek en het was helemaal geen straf hier weer een paar dagen rond te scharrelen. We hebben de Scillies twee keer eerder bezocht en beide bezoekjes inspireerden tot verhalen in de zeilbladen.
Hurricane Hole
We maken dat we wegkomen en zeilen op een mooie westelijke bries terug naar Falmouth. Om een echt goed beschutte plek voor de aankomende storm te vinden scharrellen we, met een scherp oog op de dieptemeter, een flink eind de rivier Fall op. We vinden er, net voordat het voor ons echt te ondiep wordt, een mooi plekje aan een ponton, een klein stukje stroomafwaarts van het dorpje Malpas.
Malpas biedt een mooie tussenstop voor een citytrip naar Truro: eerst met het bijbootje naar Malpas, daar is het echt te ondiep voor de Vlieger, en van daaruit een mooie wandeling langs de goeddeels drooggevallen rivier tot Truro.
Getijderivieren, zoals de Fall, kennen we in Nederland niet, althans niet meer. De Fall staat, zoals vrijwel alle rivieren aan de Britse kust in open verbinding met de zee. De getijde-invloed is tot ver op de rivier merkbaar. Dat betekent dat we een deel van de dag in een brede, zich van beboste oever tot beboste oever uitstrekkende rivier liggen, en enkele uren later in een smal stroompje tussen uitgestrekte drooggevallen slikken.
Dat het nog niet echt wil zomeren is intussen - heel Brits - een understatement. Maar we mogen ook weer niet te hard mopperen. Tijdens ons verblijf op de Scilly-eilanden hadden we erg mooi weer. Wel was er aldoor een stevige deining. In alle baaitjes waar we ankerden of aan een meerboei lagen (The Cove tussen St. Agnes en Gugh, St. Mary's Harbour en de New Grimsby Road tussen Tresco en Bryher) hebben we flink liggen rollen. Het is dan ook wel weer lekker dat we in ons Hurricane Hole in de bovenloop van de Fall, ondanks dat het buiten op zee flink briest, in volkomen vlak water liggen. De druilregen nemen we maar op de koop toe.
Q van quarantaine
Vanuit Falmouth zeilen we met tussenstops in Fowey, Plynouth (maandag wasdag) naar Dartmouth. Vanuit Dartmouth steken we, na weer enkele mooie wandeldag, over naar Guernsey. Onderweg moet de quarantainevlag in het want.
Toen we vanuit Dartmouth St. Peter Port op Guernsey aanliepen, was het zo'n beetje laagwater. Dat betekende dat we eerst moesten afmeren aan het waiting pontoon, en daar wachten tot het water voldoende was gestegen om het Victoria dok in te kunnen. Dat kwam toen overigens wel goed uit want na een nacht pittig doorgezeild te hebben, was het fijn om nog even een paar uur slaap te pakken.
Maar er zit ook een nadeel aan het feit dat je niet zomaar elk moment het dok in of uit kunt. Dat grote getijdeverschil veroorzaakt namelijk ook forse getijdestromen. Die wil je maar liever mee hebben in plaats van tegen. Toen we, na enkele dagen op Guernsey rondgestruind te hebben, naar Jersey wilden zeilen, moesten we om stroom mee te hebben rond laagwater vertrekken. Maar dan kun je dus het dok niet uit. We zijn toen een dag eerder het dok uitgegaan en hebben het anker uitgegooid in Havelet Bay, min of meer om de hoek bij St. Peter Port. De volgende dag konden we met een dikke stroom in de rug naar St. Helier op Jersey, waar we precies op het moment dat daar het dok open ging aankwamen.Na enkele mooie wandeldagen op Jersey, konden we wel rond hoogwater uit St. Helier vertrekken. Onze bestemming was Beaucette op de noordoostpunt van Guernsey. Daarvoor moesten we echter wel het laatste stukje door de Little Russel waar de getijdestroom rond springtij wel tot 4 knopen oploopt (bijna 8 km/uur). Daar wilden we niet tegenin. Maar het hele stuk van St. Helier tot Beaucette met stroom mee, gingen we ook niet redden. We hebben daarom een tijstop gemaakt achter het anker in de mooie Fermain Bay aan de zuidoostkant van Guernsey. Aan het begin van de avond toen het tij was gekenterd, gingen we er weer ankerop voor het laatste stukje naar Beaucette.
Daarmee zijn we in een wel heel bijzonder dok terecht gekomen. Het was oorspronkelijk namelijk een steengroeve. Toen de winning ophield, bleef er een groot gat dicht bij de zee over. Er is toen met dynamiet een opening tussen de steengroeve en de zee gecreëerd. Het is een piepklein gaatje, over een drempel, waarin je ook nog eens een haakse bocht moet maken om de haven in te komen. Maar na deze hair raising approach lig je wel in een prachtig omsloten, intiem dok.Tijdens onze eerdere reizen in het Kanaal hadden we deze mooie baai steeds overgeslagen. Maar nu vonden we het tijd worden hier ons anker eens uit te gooien. Swanage is een typisch Engels Victoriaans badplaatsje. We hebben er, je raadt het al, enkele mooie wandelingen gemaakt over het onvolprezen kustpad. Engeland is een droombestemming voor enthousiaste wandelaars! Eén van die wandelingen voerde ons naar de Old Harry Rocks, fraaie hagelwitte kalkstenen formaties die we bovenop de witte kliffen bewonderen. Ze vormen de scheiding tussen Swanage Bay en Studland Bay. Daar wilden we ook nog heen. Het is maar een stukje, het hoekje om, rond Old Harry Rocks.
In Studland Bay gooiden we het anker niet uit. Daar is namelijk een vrijwillige niet-ankerenzone. Die is ingesteld om een uitgestrekt zeegrasveld te beschermen. Op een populaire ankerplek als de Studland bay, zou er met al die ankeraars niet veel van het zeegras overblijven.Met het passeren van de nul-meridiaan, onderweg van Portsmouth naar Dover, belandden we weer op het oostelijk halfrond. We noteren onze posities vervolgens weer met een oosterlengte in het logboek terwijl we terugzeilen naar waar we onze trip begonnen: terug bij af.
Het is het lot van onze zomerreizen: ze eindigen waar ze begonnen. Dit jaar lijkt het er echter op dat onze reis ook eindigt zoals die begon: zoekend naar weergaatjes.
Omdat we op de heenweg al een paar dagen verwaaid hebben gelegen in Dover, willen we daar nu niet opnieuw vast komen te liggen. Daarom wippen we door naar Ramsgate. Maar we besluiten al snel dat Ramsgate geen goede haven is om voor een storm te schuilen. Er loopt, terwijl het nog rustig weer is, een flinke deining door de haven. Bovendien verkeren de steigers er in een erbarmelijke staat.
We herinneren ons van onze allereerste oversteek naar Engeland, meer dan 20 jaar geleden, nog met ons Waarschip Halftonner 'Razende Bol', de Suffolk jachthaven, een eindje voorbij Harwich op de rivier Orwell, als een sympathiek maar vooral ook mooi beschut haventje. Vanuit Ramsgate steken we de met windparken bezaaide Thamesdelta over, richting Harwich, waar we de Orwell op zeilen naar de Suffolk Jachtharbour. De storm heeft intussen een naam: Lilian.
Je zou denken dat de blanke top der duinen het Nederlandse equivalent is voor de veel bezongen White Cliffs of Dover: voor Britten hét symbool voor thuiskomen. Maar helaas, niets is minder waar.
Het eerste wat we, nadat we de Noordzee waren overgezeild, aan de horizon zagen opdoemen toen we de Nederlandse kust aanliepen, waren eindeloze windparken en daarna de pijpen en rookwolken van Tatasteel. En verdorie - om heel eerlijk te zijn - zo tegen het ochtendgloren met de opkomende zon op de achtergrond, was dat nog best een mooi beeld ook.
We waren een etmaal eerder uit Shotley vertrokken, een jachthaventje tegenover Harwich waar de rivieren Stour en Orwell samenvloeien. Het voor ons doen vroege tijdstip van vertrek werd afgedwongen door het getij: we wilden graag met de ebstroom de rivier af en de Shipwash ronden. De Shipwash is een grote zandbank voor de Engelse oostkust. Nadat we eenmaal de Shipwash noordboei hadden gerond, konden we een wat meer oostelijke koers gaan zeilen, richting IJmuiden, en maakte het niet meer naar welke kant het tij liep. Na een mooie oversteek maakten we vast in IJmuiden, om vervolgens, met nog een wat langere stop op Texel, terug naar onze thuishaven te zeilen.